
Jurisprudentie
BA3182
Datum uitspraak2007-04-10
Datum gepubliceerd2007-04-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200701579/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2007-04-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200701579/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluiten van 18 oktober 2005 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost (hierna: het dagelijks bestuur) verzoekers onder aanzegging van bestuursdwang gelast de met de bestemming strijdige horeca-activiteiten, die zij thans uitoefenen in de panden aan de [locatie] te [plaats] uiterlijk op 1 januari 2007 te beëindigen en beëindigd te houden.
Uitspraak
200701579/2.
Datum uitspraak: 10 april 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekers], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/6117 en 06/6118 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2007 in het geding tussen:
verzoekers
en
het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost.
1. Procesverloop
Bij besluiten van 18 oktober 2005 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost (hierna: het dagelijks bestuur) verzoekers onder aanzegging van bestuursdwang gelast de met de bestemming strijdige horeca-activiteiten, die zij thans uitoefenen in de panden aan de [locatie] te [plaats] uiterlijk op 1 januari 2007 te beëindigen en beëindigd te houden.
Bij besluit van 21 november 2006 heeft het dagelijks bestuur het door onder meer verzoekers daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 januari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 1 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2007, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 1 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2007, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 maart 2007, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. M.J. Sarfaty, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. L.M.W. Gratama, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [partij], als belanghebbende, vertegenwoordigd door mr. W.H. van Otterloo, advocaat te Amsterdam, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Bij brief van 14 februari 2007 heeft het dagelijks bestuur aangekondigd niet later dan twee weken na 13 maart 2007 tot uitvoering van het handhavingsbesluit over te zullen gaan. Verzoekers beogen met hun verzoek om voorlopige voorziening te voorkomen dat de horeca-activiteiten moeten worden beëindigd, alvorens in de bodemprocedure uitspraak is gedaan.
2.3. Verzoekers exploiteren ieder voor zich een horecaonderneming aan de [locatie] in [plaats]. Niet in geschil is dat ter plaatse het gebruik ten behoeve van horeca-activiteiten niet is toegestaan ingevolge het bestemmingsplan "Venserpolder 1984" en evenmin op grond van de vrijstelling die met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van de bepalingen van dat bestemmingsplan is verleend voor de oprichting van winkels, zodat het dagelijks bestuur bevoegd is ter zake handhavend op te treden. Voorts is niet in geschil dat geen concreet zicht bestaat op legalisatie van het strijdige gebruik. Verzoekers betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het dagelijks bestuur niettemin in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot handhaving gebruik heeft kunnen maken, nu sprake is van bijzondere omstandigheden.
2.3.1. Vast staat dat gedurende 14 jaar uitdrukkelijk niet is opgetreden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik. Voorts staat vast dat gedurende die periode aan de horecaondernemingen exploitatievergunningen, als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) zijn verleend. Ter zitting is gebleken dat het dagelijks bestuur in dat kader aan de burgemeester te kennen heeft gegeven dat geen sprake is van planologische belemmeringen die aan verlening van exploitatievergunningen in de weg staan.
De omstandigheid dat de burgemeester in het kader van de verlening van exploitatievergunningen moet treden in de beoordeling van het geldende bestemmingsplan, laat de bevoegdheid van het dagelijks bestuur ter zake van de handhaving van het bestemmingsplan echter onverlet. Ter zitting is gebleken dat veranderde omstandigheden in de vorm van een overconcentratie van horecavestigingen en toegenomen overlast in de omgeving, leidend tot klachten van omwonenden, het dagelijks bestuur in 2004 aanleiding heeft gegeven de planologische situatie opnieuw te bezien. De Voorzitter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot beëindiging van de met het bestemmingsplan strijdige situatie. Gelet op de lengte van de begunstigingstermijn is niet gebleken dat het dagelijks bestuur bij zijn besluitvorming niet mede gewicht heeft toegekend aan de gevolgen die het handhavingsbesluit voor verzoekers heeft. De vraag of verzoekers in verband met de gedwongen bedrijfssluiting in aanmerking kunnen komen voor schadevergoeding leent zich niet voor beantwoording in deze procedure. Dat dient te geschieden in de bodemprocedure. Het dagelijks bestuur heeft in de omstandigheid dat beëindiging van de horeca activiteiten voor verzoekers financiële gevolgen zal kunnen hebben echter geen aanleiding hoeven zien van handhaving af te zien. Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat het besluit tot handhaving niet genomen had mogen worden.
2.4. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe dient te worden afgewezen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Hanrath
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2007
392

